Dotter- of stentbehandeling

Een dotterbehandeling rekt vernauwingen in uw slagaders op.Andere namen voor de dotterbehandeling zijn ballondilatatie of percutane transluminale angioplastiek (PTA).

Hoe verloopt de ingreep?

Voor de behandeling
Voor behandeling van uw been- of bekkenslagader krijgt u een plaatselijke verdoving in de lies.

Tijdens de behandeling
Via de slagader schuift de vaatarts een katheter met een voerdraad naar de plek van de vernauwing. Na inspuiten van contrastvloeistof is de vernauwing zichtbaar te maken met behulp van röntgen.

De arts schuift een ballonnetje via de katheter tot in de vernauwing. Door het ballonnetje op te pompen, rekt de vaatwand op. Meestal herhaalt de arts de handeling enkele malen voor een goed resultaat.

Tijdens een dotterbehandeling is het mogelijk een stent in de vernauwing te plaatsen. Een stent is een soort kokertje van gaas. De arts plaatst de stent op de dotterballon. Bij het opblazen van de ballon veert de stent uit en wordt tegen de wand van de slagader aangedrukt. Als de ballon leegloopt, blijft de stent achter in het bloedvat en voorkomt het terugveren van de vaatwand.

Na de behandeling
Na de behandeling wordt het prikgat in de slagader een tijdje stevig dichtgedrukt. Daarna krijgt u een drukverband dat enkele uren moet blijven zitten. Soms gebruikt de vaatarts een soort afsluitingsdopje of krammetje om de slagader te sluiten. Het dopje lost vanzelf in drie maanden op. Het krammetje blijft in de slagader aanwezig.

Resultaat
Dotteren van de bekkenslagaders heeft meer succes dan dotteren van de beenslagaders. Bij 80% van de patiënten is de vernauwing in het bekken na een jaar nog steeds weg. Voor vernauwingen in de beenslagaders is dat bij 50% van de patiënten het geval. Toch krijgen niet alle patiënten bij wie de vernauwing terug is, ook opnieuw klachten.

Risico's en complicaties

Bij dotteren of het plaatsen van een stent komen weinig complicaties voor. Een bloeduitstorting in de lies of benen is de meest voorkomende complicatie.